Blue Flower

Gerard van der Burg, psycholoog. Leestijd ca. 15 minuten.

Psychologie is de empirische wetenschap van het menselijk gedrag. Een empirische wetenschap verklaart haar verschijnselen. Dat doet de psychologie echter niet. Daarom is de psychologie geen serieuze empirische wetenschap. Het doel van de psychologie zou moeten zijn het verklaren van psychische fenomenen.

De psychologie onderzoekt vele bekende psychische fenomenen, zoals ons denken, ons geheugen en onze emoties. Psychologen onderzoeken de bekende psychische fenomenen door zorgvuldig opgezette experimenten uit te voeren. Vervolgens analyseren ze de resultaten met statistische methoden. De geanalyseerde resultaten verfijnen de bekende feiten over de bekende fenomenen.
     Hiernaast ontdekt de psychologie nieuwe psychische fenomenen. Psychologen voeren bijzondere experimenten uit waarbij de geanalyseerde resultaten het bestaan van nieuwe psychische fenomenen aantonen. Voorbeelden van nieuwe fenomenen zijn de onzichtbare gorilla, het knuffelhormoon oxytocine en dat we ons blijer voelen als we een potlood in de mond klemmen (verwijzing 1, zie onderaan). 
     Al deze experimenten worden beschreven in zogenaamde ‘empirische studies’. In de psychologische vakbladen verschijnen zo'n vijftigduizend empirische studies per jaar (!) (2). Hierdoor beschikt de psychologie inmiddels over miljoenen studies. Deze enorme hoeveelheid suggereert dat de psychologie een serieuze empirische wetenschap is. Dat is een misverstand.

Wetenschappelijk onbehagen
Vanaf de jaren 80 van de vorige eeuw waren een aantal psychologen kritisch op hun vak. Ik noem enkele voorbeelden.   
     De vermaarde psycholoog Adriaan de Groot (1914-2006) wijdde een groot deel van Academie en forum - Over hoger onderwijs en wetenschap (1982) aan de ‘crisis in de psychologie’. Onderzoeker Giel Hutschemaekers publiceerde in 1993 in De Psycholoog het artikel: ‘Psychologen hebben geen verstand van gedrag’. In 2002 sprak Roos Vonk bij haar benoeming tot hoogleraar over het ‘poppenhuis’ van de sociale psychologie (3). Cultuurpsycholoog Ruud Abma zei naar aanleiding van zijn boek De publicatiefabriek (2013): ‘Snelle experimenten leveren povere wetenschap op’ (de Volkskrant, 30 mei 2013). Hoogleraar klinische psychologie Jan Derksen schreef het artikel ‘Psychologie verkeert in een wetenschappelijke crisis’ (NRC Handelsblad, 10 september 2015). En in het artikel ‘De psychologie is in crisis - “Het moet radicaal anders”’ (Trouw, 26 januari 2019) uitten de psychologen Matthijs Bal en Martijn Veltkamp hun zorgen.   
     Deze psychologen benoemden niet allemaal hetzelfde. Ik probeer hun kritiek te doorgronden en helder te verwoorden.

Een empirische wetenschap verklaart
De psychologie pretendeert een empirische wetenschap te zijn. Het doel van een empirische wetenschap is het verklaren van haar verschijnselen. Zo proberen natuurkundigen natuurverschijnselen te verklaren, scheikundigen chemische verschijnselen en psychologen psychische verschijnselen. Het verklaren van verschijnselen bestaat uit drie stappen.   
     Allereerst bedenken de wetenschappers een theorie over de oorzaak ofwel het onderliggende mechanisme van een verschijnsel. Ten tweede toetsen de wetenschappers de theorie op systematische wijze aan de empirie (ervaring) door het uitvoeren van experimenten. Ten derde, als de geanalyseerde resultaten de theorie bevestigen is de oorzaak van het verschijnsel ontdekt en is het verschijnsel verklaard. Als de theorie niet wordt bevestigd bedenken de wetenschappers een nieuwe theorie over het onderliggende mechanisme, die ze weer toetsen aan de empirie, enz.    
     Ik noem twee voorbeelden van dit verklaringsproces. Albert Einstein publiceerde in 1916 zijn algemene relativiteitstheorie over het onderliggende mechanisme van de zwaartekracht. Drie jaar later toetste de Britse astronoom Sir Arthur Eddington deze theorie aan de empirie, een zonsverduistering op het eiland Principe. De geanalyseerde resultaten bevestigden de theorie. Het onderliggende mechanisme van de zwaartekracht was gevonden.   
     In de jaren zeventig is de ‘standaardtheorie’ over het onderliggende mechanisme van de kleinste deeltjes bedacht. De LHC-superversneller in Genève werd gebouwd om deze theorie in experimenten te toetsen aan de empirie. De geanalyseerde resultaten bevestigden het bestaan van het Higgsdeeltje, een essentieel onderdeel van de standaardtheorie. Dit werd op 4 juli 2012 bekend gemaakt tijdens een internationale persconferentie. De theoretici van het Higgsdeeltje, Peter Higgs en François Englert, ontvingen in 2013 hiervoor de Nobelprijs voor natuurkunde.   
     De natuur-, schei- en sterrenkunde en de biologie beschikken over bevestigde formules of theorieën over de onderliggende mechanismen van haar verschijnselen. Dat geldt niet voor de psychologie.

De psychologie verklaart niet
De psychologie kent vele bekende en nieuwe psychische fenomenen. Geen enkel psychisch fenomeen is echter verklaard: van geen enkel fenomeen is een theorie over de oorzaak of het onderliggende mechanisme bedacht én bevestigd door de empirie (en door elke psycholoog aanvaard). Ik geef een aantal voorbeelden.   
     De psychologie heeft het bestaan van talloze denkfouten aangetoond, bijvoorbeeld ankering, cognitieve dissonantie en tunnelvisie. Van geen enkele denkfout is de oorzaak gevonden (4). Bij ‘priming’ beïnvloedt een ‘prime’, bijvoorbeeld een woordpuzzeltje, het gedrag van mensen zonder dat ze het weten, onbewust. Het onbewuste effect van priming is in vele studies aangetoond, maar het onderliggende mechanisme is onduidelijk. Het placebo-effect is het verschijnsel dat een cliënt kan genezen van een medicijn zonder werkzame bestanddelen. De verwachting van de patiënt dat het medicijn hem zal genezen speelt een rol, maar de oorzaak van het placebo-effect is niet gevonden. Een zware depressie is een ernstige psychische ziekte die tot zelfmoord kan leiden. Over het onderliggende mechanisme van een depressie is nog veel onduidelijk. Psychotherapieën kunnen psychische stoornissen verhelpen, maar hoe dat werkt is in nevelen gehuld (5). Veel mensen met een posttraumatische stressstoornis hebben baat bij EMDR-therapie. Wat het onderliggende mechanisme is van deze effectieve therapie, is niet ontdekt (6). Het laatste voorbeeld is de drijfveer van de mens. Wij zijn de hele dag druk bezig met allerlei activiteiten. Wat is het psychische nut daarvan, wat is de drijfveer van de mens? Dat is onbekend.   
     De psychologie verklaart geen enkel psychisch fenomeen. Dat is merkwaardig omdat psychische fenomenen gewoon verklaard kunnen worden.

Psychische fenomenen kunnen worden verklaard
Een empirische wetenschap gaat uit van het beginsel van causaliteit: verschijnselen ontstaan niet uit het niets, verschijnselen zijn het gevolg van oorzaken die eraan voorafgaan. Op grond van dit beginsel hebben alle verschijnselen van een empirische wetenschap oorzaken die gevonden kunnen worden. De empirische wetenschappers kunnen de onderliggende mechanismen van hun verschijnselen zoeken en vinden.   
     De psychologie wordt geacht een empirische wetenschap te zijn. Dit impliceert twee dingen. Ten eerste moeten alle psychische fenomenen op de een of andere manier zijn veroorzaakt. Ten tweede zullen psychologen de onderliggende mechanismen kunnen vinden als ze ernaar op zoek gaan. Het is van tweeën één: óf de psychische fenomenen hebben oorzaken die de psychologie kan ontdekken, óf de psychische fenomenen hebben geen oorzaken die de psychologie kan ontdekken, maar dan is de psychologie geen empirische wetenschap. 
     Psychische fenomenen kunnen worden verklaard. Waarom doen psychologen dat niet?

De onvolwassen psychologie
Het zoeken naar de oorzaken van psychische fenomenen is nooit het doel van de psychologie geweest (!). Dat is ontstaan in de geschiedenis van de psychologie. 
     De psychologie als wetenschap begint in 1879. Dan wordt in Leipzig door Wilhelm Wundt het eerste Psychologisch Laboratorium geopend. Daarna worden in de hele wereld, ook in Nederland, psychologische laboratoria opgericht. In de laboratoria voeren psychologen experimenten uit om de feiten van psychische fenomenen vast te stellen, bijvoorbeeld de ademhaling en polsslag bij gevoelens. De eerste psychologen denken niet aan het verklaren van psychische verschijnselen.   
     Hoe anders was dit bij de natuur-, schei- en sterrenkunde en de biologie in die periode. Zij hadden toen al bevestigde theorieën over de onderliggende mechanismen van haar verschijnselen. We kunnen hierbij denken aan de theorieën van Nicolaas Copernicus (1473-1543) over planeten, die van Isaac Newton (1643-1727) over natuurverschijnselen, die van Antoine Lavoisier (1743-1794) over chemische verschijnselen en die van Charles Darwin (1809-1882) over levensverschijnselen. De wetenschappers uit de natuur-, schei- en sterrenkunde en de biologie zijn van oudsher gewend om hun verschijnselen te verklaren.   
     Een aantal psychologen probeert aan het begin van de twintigste eeuw het psychische fenomeen van de persoonlijkheid te verklaren. Zo is bijvoorbeeld volgens Sigmund Freud (1856-1939) het onbewuste de oorzaak van onze persoonlijkheid, volgens Gordon Allport (1897-1967) de individuele trekken en volgens Erik Erikson (1902-1994) de verschillende levensfasen. Deze theorieën over het onderliggende mechanisme van de persoonlijkheid bleken óf niet experimenteel te kunnen worden onderzocht óf niet te kunnen worden bevestigd.   
     Na de tweede wereldoorlog nemen het aantal empirische studies naar de feiten van bekende of nieuwe psychische fenomenen toe (7). Dat wordt vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw nog versterkt door het neoliberalisme (8). Universiteiten zijn in onze neoliberale samenleving bedrijven die zoveel mogelijk afgestudeerden (bachelors en masters) en empirische studies moeten afleveren. Het verklaren van psychische verschijnselen wordt gemakshalve vergeten. Door deze factoren publiceren psychologen inmiddels tienduizenden empirische studies per jaar.

Simpele empirische studies
De talrijke empirische studies per jaar camoufleren een onvolwassen psychologie. Het zijn allemaal simpele empirische studies. Ze verklaren geen psychische fenomenen, ze stellen slechts de feiten vast. Het zou wetenschappelijker zijn als de empirische studies aan de volgende drie of vier voorwaarden zou voldoen.   
     Ten eerste stelt een empirische studie een nieuw psychisch fenomeen vast of nuanceert de feiten van een bekend psychisch fenomeen. Ten tweede presenteert de studie een theorie over het onderliggende mechanisme van dit fenomeen. Ten derde wordt deze theorie in experimenten op systematische wijze getoetst aan de empirie. Ten vierde bevestigen de geanalyseerde resultaten wel of niet de theorie. Als de theorie wordt bevestigd is de oorzaak voor het psychische fenomeen gevonden en het psychische fenomeen verklaard. De talloze empirische studies voldoen louter aan de eerste voorwaarde. We kunnen ze met recht simpele empirische studies noemen.

Drie gevolgen
Ik noem drie gevolgen van de huidige stand van zaken in de psychologie.   
     Ten eerste is het wetenschappelijk nut van de psychologie gering. Aan empirische studies die psychische fenomenen vaststellen of verfijnen, maar niet verklaren, heeft een empirische wetenschap weinig. 
     Ten tweede is het praktisch nut van psychologen gering. Psychologen werken onder andere als psychotherapeut, marketeer en personeelsmedewerker. In hun beroepsuitoefening grijpen zij in op basis van psychologische kennis. De effectiviteit van de meeste van deze psychologische interventies is onderzocht. Van slechts enkele interventies is de effectiviteit hoog (zoals van de EMDR-therapie). Van de meeste interventies is de effectiviteit middelmatig of laag. Dat komt waarschijnlijk doordat ze niet zijn gebaseerd op de onderliggende mechanismen van psychische fenomenen. Pas als de oorzaken van psychische fenomenen zijn gevonden kunnen zeer effectieve psychologische interventies worden bedacht.
     Ten derde is het maatschappelijk nut van een verklaringsloze psychologie gering. We leven in een tijd van grote maatschappelijke problemen, zoals klimaatverandering, economische ongelijkheid en sterke polarisatie. Maatschappelijke problemen ontstaan uiteindelijk uit het gedrag van mensen. Zolang psychologen niets weten over de oorzaken van ons gedrag, kunnen psychologen en leken het ontstaan van maatschappelijke problemen niet begrijpen, laat staan succesvol ombuigen.   
     Universitaire psychologen zullen zonder ingrijpen doorgaan met het produceren van simpele empirische studies met weinig wetenschappelijk, praktisch en maatschappelijk nut. Als de politiek of de subsidieverstrekkers (zoals het NWO) geen verklaringen van de psychologie zullen eisen, zal zij geen volwassen wetenschap worden. Dat is zonde van alle goedbedoelde inspanningen en al het belastinggeld.

Het expliciete doel van de psychologie
Het expliciete doel van de psychologie zou moeten zijn: het verklaren van psychische fenomenen.   
     Hoe kunnen psychische fenomenen het beste worden verklaard? Elk psychisch fenomeen is een specifieke gedachte, specifiek gevoel, specifieke handeling of een combinatie hiervan. Om psychische fenomenen te kunnen verklaren is een bevestigde theorie over het onderliggende mechanisme van ons denken, voelen en doen nodig. Psychologen kunnen dan uit de bevestigde theorie een hypothese afleiden over de oorzaak van een specifieke gedachte, gevoel of handeling (een psychisch fenomeen) en die vervolgens toetsen aan de empirie. Als de hypothese wordt bevestigd is het psychische fenomeen verklaard.
     Een bevestigde theorie over de oorzaken van ons denken, voelen en doen betekent dat een dergelijke theorie eerst is bedacht, daarna is getoetst aan de empirie en tenslotte is bevestigd door de empirie. De huidige psychologie bezit geen enkele theorie over de oorzaken van ons gedrag.
Op deze website geef ik een aanzet tot een dergelijke theorie.

Samenvatting
Psychologen verfijnen de feiten over de bekende psychische fenomenen of ontdekken nieuwe psychische fenomenen. Dat doen ze in zo’n vijftigduizend empirische studies per jaar.   
     Echter, een empirische wetenschap verklaart haar verschijnselen. De psychologie verklaart niet haar verschijnselen en is daarom geen serieuze empirische wetenschap. Dat ligt niet aan de psychische fenomenen, want die kunnen gewoon worden verklaard. 
     Door deze stand van zaken is het wetenschappelijk, praktisch en maatschappelijk nut van de psychologie gering. Zonder ingrijpen zal de psychologie niet plots haar verschijnselen gaan verklaren. Het verklaren van psychische fenomenen begint met het bedenken van een goede theorie over de oorzaken van ons gedrag.


Verwijzingen

1. Het psychische fenomeen van de onzichtbare gorilla is het verschijnsel dat mensen een man in een gorillapak over het hoofd zien als ze op iets anders moeten letten. Op YouTube staat een filmpje over ‘The Monkey Business Illusion’ van een van de ontdekkers van dit psychische fenomeen, hoogleraar psychologie Daniel J. Simons. Het psychische fenomeen van het hormoon oxytocine is dat dit hormoon ons socialer maakt. En we voelen ons blijer als we een ‘grote glimlach’ opzetten omdat we een potlood in onze mond klemmen.
2. Hoogleraar psychologie Piet Vroon schreef in zijn column van 12 januari 1991 in de Volkskrant: ‘Op zielkundig gebied verschijnen elk jaar meer dan veertigduizend publikaties.’ Vroon gaf geen onderbouwing of verwijzing. Op basis van dit citaat uit 1991 ga ik uit van zo’n vijftigduizend publicaties per jaar anno 2022. 
3. Na haar benoeming publiceerde Roos Vonk vele artikelen in onder andere de Volkskrant, Psychologie Magazine en Joop. Ze was in deze artikelen niet meer kritisch op de psychologie. Jammer en opvallend. 
4. Psycholoog en Nobelprijswinnaar voor de economie Daniel Kahneman bespreekt in Ons feilbare denken (2011) vele denkfouten. Kahneman verheldert de vele denkfouten met twee systemen, Systeem 1 en Systeem 2: ‘Systeem 1 werkt automatisch en snel, met weinig of geen inspanning en geen gevoel van controle. Systeem 2 omvat bewuste aandacht voor de mentale inspanningen die worden verricht, waaronder ingewikkelde berekeningen’ (p. 28).   
     Kahneman waarschuwt de lezer echter om beide systemen als verklaringen te beschouwen: ‘Systeem 1 en Systeem 2 nemen in dit boek zo'n belangrijke plaats in, dat ik absoluut duidelijk wil maken dat het fictieve personages zijn. Sys­teem 1 en 2 zijn geen systemen in de zin van entiteiten die een bepaalde wisselwerking hebben. Bovendien er is geen aanwijsbaar deel in onze hersenen waarin de systemen zijn gezeteld. U kunt zich nu met recht af­vragen, wat voor nut heeft het om in een serieus boek fictieve personages met gekunstelde namen te introduceren? Het antwoord is dat de perso­nages handig zijn, vanwege bepaalde eigenaardigheden in onze hersenen’ (p. 37). De systemen 1 en 2 moeten ‘als beschrijving (…) worden opgevat, en niet als verklaring’ (p. 36). Kortom, de psychologie heeft in talloze empirische studies het bestaan van vele denkfouten aangetoond, maar ze niet verklaard. 
5. Hoogleraar klinische psychologie Pim Cuijpers schrijft in Psychotherapie - Een wetenschappelijk perspectief (2012): ‘Na 50 jaar wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van psychotherapie weten we nog steeds niet of de effecten gerealiseerd worden door universele factoren die alle therapieën gemeen hebben of door specifieke factoren van elke verschillende therapievorm. We weten wel dat therapieën effectief zijn: goed opgezette trials hebben dat duidelijk laten zien. Maar hoe ze werken is nagenoeg onbekend’ (p. 134). 
6. Pim Cuijpers (2012) schrijft: ‘Ondanks vele fraai opgezette studies naar werkingsmechanismen weten we nog steeds niet zeker hoe EMDR nou precies voor verandering zorgt’ (p. 152).  
     Volgens de EMDR-psychologen is het onderliggende mechanisme van EMDR-therapie het gebrekkige werkgeheugen. Wanneer patiënten hun heftige gebeurtenis terughalen en tegelijk kijken naar de bewegingen van de hand van de therapeut zou hun werkgeheugen overbelast raken. De heftige gebeurtenis kan dan niet goed opnieuw in het werkgeheugen worden opgeslagen. Hierdoor zou de intense emotie worden afgevlakt.   
     Ik heb twee punten van kritiek op deze verklaring. Ten eerste is deze verklaring in strijd met het bekende feit dat ons werkgeheugen maar liefst zeven ‘chunks’ (brokjes informatie) tegelijk kan onthouden. Het werkgeheugen zou probleemloos de heftige gebeurtenis moeten kunnen terughalen én tegelijk de handbewegingen moeten kunnen volgen. De EMDR-psychologen leggen niet uit waarom het ‘magische getal zeven’ bij EMDR plots niet meer zou gelden. Ten tweede, waarom zou het werkgeheugen de heftige gebeurtenis opnieuw moeten opslaan in het werkgeheugen? Die gebeurtenis is immers al aanwezig in het langetermijngeheugen. Ook dat leggen de EMDR-psychologen niet uit.
7. De talloze empirische studies over vele psychische fenomenen behoren tot verschillende subdisciplines binnen de psychologie. De psychologie kent vele subdisciplines, bijvoorbeeld de persoonlijkheidsleer en de cognitieve -, klinische -, sociale -, ontwikkelings- of organisatiepsychologie. Elke subdiscipline bevat op haar beurt vele psychische fenomenen die worden onderzocht. De fenomenen van de klinische psychologie zijn bijvoorbeeld alcoholverslaving, eetstoornissen, fobieën, persoonlijkheidsstoornissen en de effectiviteit van psychotherapieën.   
     Door deze versnippering is elke universitaire psycholoog een specialist: hij weet heel veel van enkele psychische fenomenen uit zijn subdiscipline die hij onderzoekt, maar hij weet (heel) weinig van de andere psychische fenomenen uit zijn eigen of andere subdisciplines. 
8. De neoliberalisering van de westerse samenleving is begonnen met de regeringen van Reagan in Amerika (1981-1989) en met die van Thatcher in het Verenigd Koninkrijk (1979-1990). De eerste neoliberale kabinetten in Nederland waren de kabinetten van Ruud Lubbers (1982-1994).   
     Het neoliberalisme is een ideologie die de nadruk legt op marktwerking en een kleine overheid. Dit betekent in de praktijk stelselmatige bezuinigingen op de publieke sector en (semi)privatiseringen van overheidsinstellingen. Vier decennia van bezuinigingen hebben geleid tot een lage kwaliteit van het onderwijs en een groot tekort aan ic-bedden, woningen, legermaterieel en aan personeel in de (geestelijke) gezondheidszorg.